Niets is wat het lijkt
Het is een uurtje of half vijf in de ochtend als ik richting mijn huis fiets. Met moeite houd ik mijn stuur in bedwang, terwijl de vogels me al kwetterend toejuichen. Het was weer een mooie avond. Zoeen waar er al veel van zijn geweest en waarvan er nog veel zullen volgen. Het is heerlijk om weer in Nederland te zijn en me onder te dompelen in het nachtleven van mijn eigen stadje. Nooit gedacht dat ik het zo zou missen om samen met mijn vriendinnetjes en een goudgele rakker in de hand in een stinkende, muffe en veel te warme ruimte te staan. Nooit gedacht dat het zo ontspannend kon zijn om gewoon even gek te doen met mijn vriendinnetjes. Nooit gedacht..
Terwijl ik mijn fiets met net iets teveel herrie in de schuur parkeer, hoor ik een auto stoppen op de weg. Ik draai me om en bedenk me net dat ik te schoor ben om te gillen, als een jongeman van een jaar of twintig uitstapt. Hij kijkt me misprijzend aan. Ik weet dat ik fout zit. Het is immers half vijf 's ochtends, ik ben nagenoeg stomdronken en dat alles op een doodgewone doordeweekse avond. Doodgewoon, tot dit moment. Al drie jaar lang vier ik feestjes met mijn vriendinnetjes, fiets ik alleen naar huis door mijn geweldige stadje en parkeer ik nagenoeg stomdronken mijn fiets in de schuur. Doodgewoon dus. Even flitsen de afgelopen maanden aan me voorbij. Drie maanden lang rondreizen door Midden- en Zuid-Amerika. Drie maanden niets aan het handje en dan word ik nu hier, voor mijn eigen deur, lastig gevallen. Ik voel een aanval van woede in me opkomen. Waar gaat het heen met dit pokkenland? De jongeman staat inmiddels naast me. Met grote vragende ogen kijkt hij me aan. Ik vraag me af of hij een wapen zal gebruiken of gewoon met blote handen toe zal slaan. Ik voel met mijn rechter wijsvinger in mijn jaszak en probeer het landelijke alarmnummer te bellen. ik voel me koe, omdat ik zo aangeschoten ben dat ik de knopjes op mijn telefoon niet eens kan onderscheiden. Met een piepende stem vraag ik de jongen wat hij komt doen, wie hij wel niet denkt dat hij is en of hij niet gewoon weg kan gaan. Ik zie zijn mond op en neer bewegen, maar hoor geen geluid. Ik gok dat ik al bewusteloos ben, maar tegelijk besef ik dat ik nog rechtop sta en mijn benen dus nog werken. De jongen legt heel voorzichting zijn arm om mijn middel, draait me langzaam om en helpt me één voor één de treden van de trap op. Bovengekomen pakt hij de sleutel uit mijn trillende handen. Zijn aanraking laat mijn vingertoppen tintelen. Ik bedenk me hoe stom het is zoiets te voelen voor een belager. Na de klik van het slot pakt de jongen mijn hand heel voorzichtig vast en trekt me de gang in. Hij opent de deur van de huiskamer, plant me op de bank en legt de sleutel op de tafel. Terwijl ik versuft om me heen kijk, vist hij een fleecekleed achter de bank vandaan, drapeert die over mij heen en geeft een kus op mijn voorhoofd. Op zijn tenen verlaat hij mijn huis. Versuft en vertwijfeld blijf ik achter, alleen op mijn veel te grote bank. De woede is verdwenen als sneeuw voor de zon, evenals mijn slaap. Ik kruip achter mijn laptop en typ dit verhaal. Omdat niets is wat het lijkt. Zelfs niet in mijn eigen kleine stadje.

Reacties
De categorie waarin dit verhaal valt zegt genoeg hoop ik?
!check http://www.sputtert.nl!
Ach, niets is wat het lijkt...
Nieuwe reactie inzenden